Het stromen van de waterval

Over studievertraging, ziek worden en piekeren

Sinds de lockdown een paar weken bezig is, hoor ik onder mijn medestudenten vaker het woord ‘studievertraging’ vallen. Een begrijpelijke angst, want de lijst van gemiste lesstof wordt steeds langer en moeilijker in te halen.

Een lange studietijd is iets waar ik me altijd al zorgen om maakte. Vroeger omdat ik simpelweg niet wist wat ik wilde en ik niet dacht dat er iets was waar ik echt goed in was. Ik hoorde de verhalen over mijn moeder, die uit pure hopeloosheid een studie tot secretaresse is gaan doen om vervolgens vast te zitten in allerlei kleine rotbaantjes. Ze wist toen al dat ze absoluut geen kantoorbaan wilde, maar aangezien ze ook niet wist wat dan wel haar passie was, vertrouwde ze op het advies van haar middelbare school. Nu is ze 54 en werkt ze drie verschillende banen, allemaal om de rekeningen te betalen. Ook zie ik mijn vader, die wel talent heeft voor zijn vak, maar er simpelweg niet gelukkig van wordt. Nu weet hij wat zijn passie is, maar helaas kwam hij daar pas rond zijn zestigste achter. Hij werkt nog steeds als technicus en is (in ieder geval volgens hemzelf dan) de beste werknemer binnen zijn team. Toch zie ik hem iedere avond gefrustreerd thuiskomen, neerploffend op de bank, vloekend en scheldend en zo ongelukkig.

Wat ben ik dan toch ook geboren in een prachtige generatie, dat wij de ruimte krijgen en zelfs aangemoedigd worden om een vak te kiezen dat ons niet slechts van een dak boven ons hoofd, maar ook van een doel voorziet. Toen ik er eindelijk achter kwam welke richting ik in wilde, voelde dat als een enorme opluchting. Vijf jaar aan studiebeurzen (ja, we waren er inderdaad vroeg bij), open dagen, proefstuderen, persoonlijkheidstesten en wat dan ook. Filosofie, dat was het. Misschien dan eerst maar eens starten bij de journalistiek, dat leek me ook wel interessant. Toen ik aan het rekenen sloeg voelde ik toch een lichte paniek opkomen. Vier jaar journalistiek, maar waarschijnlijk zou ik in mijn tweede jaar die operatie krijgen (lang leve genderdysforie, altijd genieten!), dus dat zou sowieso vijf jaar worden. Dan drie jaar filosofie, maar ik schat de universiteit erg zwaar, dus laten we er daar maar vier van maken. Ik liep al een jaar achter qua leeftijd doordat ik ben blijven zitten na dat auto-ongeluk, dus ik was sowieso al een late student. Daar bovenop komt dan dus een extra jaar door dat virus. Al met al ben ik klaar rond… Mijn achtentwintigste. Slik.

Maar, vertel ik mezelf, wat is die tijd studeren nou? Mijn moeder wenst nog altijd dat ze erachter komt wat haar passie is, mijn vader zou willen dat hij op mijn leeftijd doorgestudeerd had zodat hij nu zou kunnen doen wat hij leuk vindt. Bovendien, tijd om te werken is er nog een heel leven lang, toch? Wat is nou die paar jaar extra aan hoorcolleges, als je daar een leven lang kennis aan overhoudt? Ik stel het me voor, ik, als man van 60, die met collega’s of vrienden filosofische gesprekken kan voeren met diepgang, niet als show off, maar op basis van de kennis die we na al die jaren studeren hebben opgedaan. Ja, als je daar nog zo lang profijt van hebt, dan is die studietijd echt zo’n ramp nog niet.

– Flash forward –

De coronacrisis – en mijn haat aan dat woord is ondertussen enorm- is al ongeveer een maand aan de gang in Nederland, ook al voelt het eigenlijk veel langer. Tegen beter weten in heb ik vandaag onderweg naar de supermarkt een stop gemaakt bij mijn oma. Ik heb mijn handen ontsmet en afstand gehouden, maar ik kon haar echt niet langer missen. Voor de lockdown kwam ik vaak wel twee of drie keer per week bij mijn opa en oma. Het internet snappen zij net als veel leeftijdsgenoten niet en hun telefoon heeft de al ongelukkige omstandigheden nog verergerd door kapot te gaan. Ze vertelde me dat mijn neef Jelke, die al een maand alleen in zijn studentenflatje zat opgesloten, vandaag langs zou komen om de telefoon te maken. Jelke is voor mij altijd meer dan gewoon een neef geweest. Misschien omdat hij zo close met mijn tante was, die waarschijnlijk wel mijn favoriete persoon ter wereld was toen ze nog leefde. Ik loop nog vaak met hem een blokje rond oma’s buurt, zoals we dat zo vaak met z’n drieën hebben gedaan toen dat nog kon. Wat begon als een excuus van Jelke om stiekem een sigaretje (of soms joint) met mijn tante te kunnen roken, is uitgedraaid tot een traditie van gesprekken die we niet kunnen voeren in het bijzijn van anderen. Confessies waarvoor je nooit beoordeeld zult worden, vragen die je anderen niet durft te stellen, en, laten we eerlijk zijn, opscheppen over vriendjes (the perks of having AND being ‘the gay cousin’). Vandaag liepen we dus zo’n rondje. Hij was al een tijdje stil, wat meestal betekende dat hij twijfelde om iets wel of niet te vertellen. Aan het einde van onze standaard route aangekomen konden we oma’s huis in de verte al zien. Haast tegelijk stelden we voor om nog maar niet terug te keren en liever nog even door te lopen. We stopten in een kleine speeltuin, op zoek naar een bankje. Ik wachtte geduldig af of hij me wel of niet de informatie zou toevertrouwen die ervoor zorgden dat hij zo afwezig was in ons gesprek. Even later was het zover.

Hij vertelde me dat hij nieuwe medicatie kreeg en dat hij daarvoor zijn bloed had moeten laten testen. Ik knikte, een beetje angstig over waar dit verhaal naartoe zou gaan. Hij vertelde me dat ze een gen in zijn bloed hadden gevonden wat ervoor kon zorgen dat hij een grote kans had om voor zijn zestigste de ziekte van Alzheimer te ontwikkelen. Alzheimer. Dementie. Ik kreeg een flashback naar een gesprek van ongeveer een drie maanden eerder, waarin hij me vertelde dat hij me in zijn wil had gezet. Samen met zijn partner en zijn moeder zou ik moeten beoordelen wanneer zijn kwaliteit van leven onvoldoende zou zijn om hem levend te houden. Hij had een lange lijst geschreven om uit te leggen wanneer dit volgens hem onvoldoende zou zijn en op die lijst stond onder andere wanneer hij dementie zou krijgen. Ik voelde paniek in me opkomen en nu weer terwijl ik dit schrijf, omdat ik niet weet wat ik zonder hem zou moeten. Hij kijkt me aan en opent zijn mond opnieuw.

Het gen is erfelijk, zegt hij. Hoogstwaarschijnlijk komt het van mijn oma’s kant, daar zijn er wel meer die het hebben gekregen. “Ik denk dat Oma vroege symptomen vertoont,” mompelt hij. “Dan moet je het haar vertellen”, zeg ik resoluut, “ze heeft het recht om dit te weten!” Hij kijkt me aan en schudt zijn hoofd. “Waarom zou ik? Beter van niet. Geen enkel medicijn die het kan voorkomen, niet eens vertragen. Als ze het zou krijgen, krijgt ze het toch wel, het heeft geen nut om haar zich daar zorgen over te laten maken.” Ik reageer niet. Ik weet dat hij gelijk heeft, maar het voelt niet goed.  Mijn oma, die altijd zo enthousiast naar me roept als ze me door de afgeplakte raampjes van de voordeur ziet staan. Mijn oma, die altijd naar me luistert en dan ook echt doorvraagt. Ze versprak zich regelmatig in de persoonlijke voornaamwoorden, noemde me zij in plaats van hem, maar dat bedoelde ze niet slecht. Als ze over mijn neef sprak noemde ze hem Luca, zoals ze mij regelmatig Danny of Jelke of soms zelfs mijn geboortenaam noemde. Zo vergat ze wel meer dingen, zoals de dagen van afspraken of de leeftijd van haar kleinkinderen (behalve die van mij, ik kom uit 2000, “dan hoef ik alleen het jaartal te onthouden!”).  Ik lachte er altijd om, het was zo onschuldig, ze werd ook al oud… Nu ik er zo over nadacht leek dat natuurlijk naïef, misschien speelt er inderdaad wel meer.

Ik dacht nog langer na, natuurlijk, en kwam tot een derde vreselijke conclusie. Als het erfelijk was, kon ik het ook krijgen. Al die jaren studeren zouden voor niets zijn. Voor mijn zestigste alles vergeten, ook de naam van mijn tante, mijn moeder zou ik niet meer herkennen, verhalen uit mijn jeugd zouden me opnieuw verteld worden alsof het iemand anders slapengaanverhaaltje was. Ik zou me mijn partner niet meer herinneren, laat staan de namen van filosofen en journalisten die ik vroeger al die jaren bestudeerd had. Alles zou verloren gaan, alles leek voor niets. Als ik het gen zou hebben.

Die avond open ik WhatsApp en schrijf ik mijn neef met trillende handen een bericht. “Ik zou willen dat je het me niet had verteld.” Ik kijk naar buiten, zucht en verwijder het, uit angst dat hij toekomstige problemen en geheimen niet meer met me zou delen. In plaats daarvan appte ik mijn beste vriendin. Ik had nog geen volledige zin gezegd of ze had al door dat het niet goed zat. Terwijl ik typte of ze me kon bellen ging mijn telefoon al over. Zonder ook maar één keer adem te halen vertelde ik haar het hele voorval en toen mijn verhaal voorbij was bleef het even stil. Ik vertelde dat ik wist hoe onzinnig mijn angst was, ik wist niet eens zeker of ik het had of niet, ik zou niet zo mogen stressen… Ze haalde diep adem en stelde me een vraag die me onmiddellijk rust bracht. “Wat zou je erger vinden, nooit weten of je het gaat krijgen, of je nu laten testen en er achter komen dat je het gen wel draagt?” “Het tweede”, zei ik al voordat ze haar zin af had gemaakt. “Sowieso het tweede.” Wetende dat ik het zou krijgen zou erger zijn, ik zou nooit al die studietijd aan mezelf kunnen verantwoorden. Ik zou niet weten wat ik nog wel zou doen. Ik denk dat ik de grootste en belangrijkste dingen in het leven over zou slaan, omdat ik zou weten dat ze tijdelijk zouden zijn. Dat er een tijd zou zijn waarin ik die dingen en zelfs de herinnering aan die dingen door een ziekte zou moeten opgeven. “Dan laat je je niet testen en laat je het nu los,” zei ze. Dus dat deed ik. Een van mijn beste vrienden zei ooit dat je het uitzetten van je gedachten niet moet zien als het negeren van een probleem, maar van het tijdelijk genieten van het kabbelende water waar je normaal altijd een waterval hebt stromen. De afgelopen week was vooral waterval, dus ik ben opgelucht om te merken dat het vandaag wat rustiger stroomde en ik daadwerkelijk ideeën kreeg. Hell, ik ben daadwerkelijk productief geweest. Ik weet dat die waterval wel weer terug komt, maar ik ben er klaar voor. Misschien komt er een dag waarop ik die diagnose krijg, maar dat mag me niet nu al belemmeren. Nu kan ik nog genieten van die rustige stroming. One day at a time.

Plaats een reactie

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag