Allereerst wil ik ingaan op de twee standpunten die naar mijn mening het minst goed onderbouwd zijn, om vervolgens door te gaan naar de rechter waarmee ik het al iets meer eens was en zal ik pogen om de kritiek op zijn argumentatie te weerleggen.
Foster’s volledige beargumentering berust op het idee dat de toestand waarin de vijf ontdekkers zich bevonden een natuurtoestand is waarop de Amerikaanse wetten niet van toepassing zijn. Tatting haalt deze beredenering echter meteen onderuit door de vaagheid hiervan aan te duiden. Waar ligt immers deze grens? Was het instorten van de ingang een voldoende voorwaarde voor het veranderen van de geldende wetten? Veranderde de situatie toen de hongersnood insloeg, of pas toen ze hun beslissingen overlieten aan de dobbelsteen? Omdat hier geen zinnige grens in te stellen valt, leek me dit het minst betrouwbare oordeel.
Ook bij Handy haakte ik snel af. Ik kon me goed vinden in zijn bewering dat het recht over menselijke affaires ging en dat het dus met begrip uitgevoerd moet worden, ruimte latend voor uitzonderingen en iets vrijere interpretatie. Toch stonden zijn ideeën me ook tegen, specifiek het gedeelte waarin hij het belang van publieke peilingen noemt. Hij zegt hier namelijk dat 90% van de mensen pleit voor het vrijlaten de vier ontdekkers en dat de overige 10% die dus stemde voor een veroordeling dit deed zonder enige onderbouwde argumentatie. Hij zet de tegenstanders neer als mensen zonder rede of met onvoldoende voorkennis, maar over de voorkennis van de voorstanders zegt hij wijselijk niets. Of zij meer van de zaak hebben meegekregen, of zij beter onderbouwde argumenten hebben, daar horen we niets over. Hoe kunnen we er dan zomaar vanuit gaan dat zij wel verstand van zaken hebben? Mij lijkt het beter om dit soort beslissingen dan maar over te laten aan de rechters en advocaten waarvan we erop kunnen vertrouwen dat zij deze kennis wel bezitten.
Hoewel ik me het meeste kan vinden in Tatting’s beoordeling, ben ik me ervan bewust dat hij en ik van mening verschillen. Hij zei dat we diefstal vanwege hongersnood afkeuren, dus waarom zouden rechters zoiets extreems als moord dan wel toe moeten laten? Deze vergelijking is echter niet volledig juist. Bij een diefstal is er altijd een persoon betrokken die geen onderdeel wil zijn van de keten, zoals bijvoorbeeld de groenteboer van wie de dief appels steelt. De groenteboer heeft hier uiteraard nooit mee ingestemd, laat staan dat het zijn idee was dat hij bestolen zou worden. Bij Whetmore is dit echter exact wat er wel het geval is. Een kloppende vergelijking zou zijn wanneer vijf groenteboeren concurreren op dezelfde markt. Er zijn te weinig klanten om alle vijf hun zaken draaiende te houden en dus besluiten zij om te dobbelen om één van hen vijf zijn handel af te laten geven. Iedereen begrijpt de positie van de verliezende verkoper die zijn handel afgenomen krijgt en moet vertrekken, maar niemand zou de andere vier ergens de schuld van geven. Het was immers een weloverwogen keuze van hen alle vijf om deze overeenkomst te sluiten, wetende dat één van hen er ongelukkig vanaf zou komen.
Ik zou het persoonlijk onterecht vinden als de mannen ter dood veroordeeld worden omdat ik niet denk dat ze een andere keuze hadden dan om Whetmore te vermoorden: anders waren zij zelf ten dode opgeschreven. Desalniettemin ben ik ervan overtuigd dat deze daad, ondanks hun rechtvaardige overeenkomst, gedefinieerd zou moeten worden als moord. Zoals Tatting uitlegde zou Whetmore, als hij zich had verdedigd, veroordeeld zijn tot moord, aangezien de anderen het ‘recht’ hadden om hem op basis van hun overeenkomst te vermoorden. Ik denk echter dat dit niet het geval is. Als hij als enige overlevende uit de grot zou ontsnappen zou het lot van zijn vrienden gezien worden als een vorm van zelfverdediging van Whetmore ’s kant, zijn maten waren immers uit op zijn leven. Dit leidt dus tot de conclusie dat er wel degelijk sprake is van moord.
Toch stuit ik, net zoals Tatting zelf, op een probleem. Keen verwijt hem namelijk dat hij gaten zoekt in de wet waarvan hij het doel niet eens weet. Later zegt hij dat de algemene functie van de rechtspraak moet zijn dat criminelen bestraft moeten worden, maar ik denk dat hij hier de mist ingaat. De algemene functie van de rechtspraak (specifiek het strafrecht) moet zijn dat de veiligheid van de burgers gewaarborgd wordt en dat criminelen indien mogelijk een kans op rehabilitatie hebben. Nu denk ik dat het niet meer dan redelijk is om aan te nemen dat als we de vier overlevende ontdekkers wederom toegang tot de samenleving verstrekken, dat de kans op een herhaling van deze gebeurtenis nihil is.
Waar Tatting zich dus van het stemmen zou onthouden als eerbetoon aan de overleden arbeiders, zou ik me zelf eerder terugtrekken omdat ik niet denk dat de ontdekkers voor deze daad de doodstraf verdienen. Mocht de gratie van Keen een optie zijn zou ik hen wel voor moord laten veroordelen, wetende dat zij niet onnodig ter dood gebracht zouden worden.
